Waar worden de intresten geboekt uit kapitaal dat met een stichting is belast?
Binnenlands Bestuur:
Alle ontvangsten en uitgaven die verband houden met stichtingen moeten in de hoofdfunctie stichtingen worden geboekt. De intresten van kapitaal dat verband houdt met een bepaalde stichtingslast, komen dus op MAR 140, of een daar gecreëerde subrekening terecht, en niet bij de intresten van de andere beleggingen (rekening 133). Als er meerdere stichtingen zijn, is het ten stelligste aangewezen om onder MAR 140 verschillende sub-MAR's te creëren, zodat elke stichting afzonderlijk kan worden opgevolgd. In de inventaris is het afzonderen van de verschillende stichtingen expliciet opgelegd door artikel 32, tweede lid, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 oktober 2006. Voor de ontvangsten en uitgaven die verband houden met stichtingen, is eenzelfde opsplitsing aangewezen.
Het boekhoudreglement
Het Agentschap voor Binnenlands Bestuur merkt verder op:
De opbrengst van een stichting wordt soms ook nog gebruikt voor andere doeleinden dan voor de stichting zelf. Dit is niet enkel gebruikelijk, het hoort ook zo.
Aan het kapitaal van de stichting zelf mag niet geraakt worden zolang er lasten aan verbonden zijn. Dat kapitaal mag dus niet zomaar opgenomen worden in het gewone patrimonium van het bestuur en mag niet gebruikt worden voor investeringen. Dat geldt zolang er lasten zijn, daarna wordt dat kapitaal wel opgenomen in het (privaat) patrimonium en kan het bestuur er dus vrij over beschikken (binnen de investeringen). De precieze omschrijving van de last is terug te vinden in de notariële akte waarin de stichting wordt aanvaard.
De jaarlijkste opbrengsten van een stichting moeten in eerste instantie gebruikt worden om de lasten van de stichting mee te betalen (zie de daarvoor geldende tarieven vastgesteld bij KB van 31 mei 2001). Als er een overschot is, dan moet dat opgenomen worden in de exploitatie en gebruikt worden om de werking van het bestuur mee te financieren. Het is dus niet normaal dat de opbrengst van de stichting wordt gekapitaliseerd. Een eventueel overschot voor een bepaalde stichting mag ook niet gebruikt worden om een tekort voor een andere stichting op te vangen. Elke stichting moet zelf rendabel zijn, zoniet kan het bestuur de lasten niet meer nakomen en moet het een reductie aanvragen aan het bisdom.